66
cloack aan en een tluweelen calotje op ’t hoofd. Hij had kleine, grijze, snelblikkende oogjes, die altoos waakzaam waren.
„Zoo vroeg al bezoek?” vroeg hij. En tot Hans: „Met wien heb ik de eer?”
Zij voorkwam het antwoord.
„Mijnheer is door een uitgever gestuurd met de vraag of je een nieuwe Nederlandsche vertaling vaa Shakespeare wilt koopen.”
„Ik . . . een vertaling. Als ik Shakespeare nog zou willen lezen, zou ik het in ’t oorspronkelijk doen . . . Dus mijnheer, wij zullen van ’t aanbod geen gebruik maken.”
Hans stond op.
„Maar manni, ik zou zoo graag die vertaling hebben.”
„Onzin . . . wat heb jij aan Shakespeare . . . Een grove rethoricus met knal-tooneeleffecten . . .”
„Jij hebt geen gevoel voor kunst.”
„Dat kan wel zijn. U heeft het gehoord mijnheer — ik zal er geen gebruik van maken.”
„Het spijt mij mijnheer . .
Hans wilde heengaan en groette hoffelijk met een buiging.
„En ik wil dat je een werk bestelt ... of anders bestel ik ’t zelf... Ik wil die boeken nu hebben . . .”
„U heeft gehoord mijnheer, wat ik ge . . .”
De man had nog niet uitgesproken of een kristallen bloemvaas die op tafel stond, vloog hem langs het hoofd en sloeg in gruizels achter hem tegen den zwartmarmeren schoorsteen.