179
bent nu krankzinnig maar je zult je er straks wel weer door je wil uitredden.
En den heelen avond, ook tijdens de pauzen, terwijl hij tusschen de coulissen stond of in de kleedkamer wachtte, bleef hij zich dwingen, in de krankzinnigheid van zijn rol te blijven ...
Maar tegelijkertijd voelde hij een afschuw van zichzelf, voelde hij zich als een vies, onzindelijk, misdadig monster. . . Want het was hem bewust geworden, dat hij niet speelde met zijn hoofd, niet met zijn wil, niet met zijn hart en niet, acharm niet met zijn ziel. . . Neen . . . hij voelde het wel door de blikken van al die wijven, wijven, wijven, in den ongewieden, wilden tuin, waar het zaad geil uitschiet tot welig woek-rend onkruid, dat hij speelde door en met zijn zinnelijkheid, op haar zinnelijkheid ... o gruwel, gruwel, zij zaten te kijken ... al die vrouwen in de zaal, al die heksen, hoeren, echtbreeksters door gedachte of daad, naar zijn geslachtsdeel — zijn geslachtsdeel puilend in zijn nauw gespannen tricot... o God, o God . . . hoe gelukkig dat moeder er niet was, daar in die gruwelijke zaal, waar ze nu te juichen, te klappen, te stampvoeten zaten, waarvoor hij nu boog, een krans aannemend zooals hij dat eens gezien had van Mephisto . . . toen hij onder het publiek zat, zijn knie tegen de knie van de getrouwde maitresse, die toen met hem den man bedroog, die haar eer, dak en liefde had gegeven, trotseerend de wereld, die hem uitstootte omdat hij eerloosheid tot eer had willen verheffen. . . .
Dat was het Amphitheater van Vespasianus uit de Encyclopaedie, waar wilde dieren bij duizenden elkaar