i78
kunnen geven, wat in hem zou ontstaan . . . Toen het gevolg afging en hij alleen op het tooneel bleef staan, voelde hij zich wegzinken . . . hemel, mijn hemel ... hij staarde den souffeur aan ... en deze fluisterde de aanvang van de claus . . . hemel, hemel... hij verzonk ... hij viel in de diepte ... en hij zag den geest. . . den echten, die moeder van de trap had gestooten, den geest van zijn eigen vader . . . Meteen dook een gezicht naast dat van den souffeur in het hok op . . .
„Durven Hans . . . durven . . .”
Het was Bos, die hem met zijn oogen bestraalde. En als een noodkreet van een die valt en opeens krijtend redding vindt, begon Hamlet:
O, dat dit al te vaste vleesch versmolt . . .
Als sneeuw versmolt, verzwond als dauw in zon,
O, dat de Almacht niet verbod en vloek Op zelfmoord had gericht, o God, mijn God,
Hoe mat, hoe leeg, verdorven en vermolmd, Schijnt mij het gansch bedrijf van deze wereld, Bah, over haar ... Zij is een wilde tuin,
Waar, ongewied, het zaad geil uitschiet Tot welig woekrend onkruid ...
Opeens voelde Hans, dat hij gered was. . . Hij sprak voort, voelend de deining van de verzen, er op drijvend als op een zee, een zee in branding, een zee in kalmte, een zee bij zonsopgang . . .
Hij dwong zichzelf in een droom te blijven. De stem van het wezen binnenin, dat hem nu al zoo vertrouwd was geworden, zei hem: „Dat is het. . . je