van de trap en had haar voet verstuikt, die pijnlijk gezwollen was. De dokter had gezegd, dat ’t niet gevaarlijk was, maar dat ze rust moest houden. „Het was net, alsof iemand mij opeens een duw gaf”, klaagde zij. De dokter had haar schertsend uitgelachen, maar Hans voelde ’t zelfde als moeder . . . hoewel zij het elkaar niet hadden willen zeggen. Er was werkelijk iemand in huis, die hun kwaad wilde . . . er zwierf een gestalte zonder lichaam rond en Hans sidderde voor die vreemde kracht als Hamlet voor den geest zijns vaders.
En nu voelde hii zich voor den aanvang zwak, leeg, moede. Als moeder er maar geweest was, als hij moeder maar had zien zitten en uit haar oogen-kracht en moed had kunnen drinken of zich had kunnen voelen als haar beschermer, haar prins . . .
Maar nu . . . hij zag ze zitten, mevrouw Cortenaer, mevrouw den Tiel, de dochter van Focke en velen, velen meer ... en daar . . . zat daar ook niet... ja daar zat ze, in een kleed van geei met zwarte kanten ... de weduwe Boeckhoven met naast iiaar heur dienstmeisje, als dame verkleed ... En allen zaten ze, die vrouwen, met hun families, hun mannen, hun kinderen ... en stond nu a! niet gekleed in ’t blanke Ophelia kleed met de zilveren zoom de dochter van mevrouw Cortenaer, afgestaan voor de avond-tooneel-prostitutie op aandrang van de moeder, die . . . die . . .
Hans hield zijn hoofd even achterover en sloot zijn oogen . . .
Het was toch wel afschuwelijk, het was toch wèl een poe! van vuile geilheid, een afgrond van verderf.