175
drapeerde je je zwarten mantel en wat prachtig zweefde die mantel je na, als een symbool van den zwarten geest, die je tot je verschrikkelijke daden dreef. .
,,Merkte je dat. . . moeder?”
,.Ja mijn jongen ... O wat ben je groot, wat ben je groot. Jij waart alléén, alléén op het tooneel . . . al die anderen waren maar ledepoppen voor je . . .”
,,Moedertjelief.”
Hij sloeg zijn arm om haar heen en kuste haar plechtig op haar voorhoofd.
,,Je moet moedig zijn, mijn prins . . . moedig, zooals een echte Wentinck ... Je moet morgenavond durven, durven . . . dan zal alles lukken . . . alles prachtig lukken . .
Hij was kalm naar bed gegaan, zonder vreeze, zonder abnormale gedachten, vervuld van een vreemde geestelijke kracht, zich voelend als zweefde hij in een damp van heiligheid en reinheid.
En hij sliep diep en vast, zonder droom.
De zaal was vol, overvol. Er was in den Schouwburg nooit te voren zulk een voornaam publiek geweest, zelfs niet bij de voorstellingen van de pas opgerichte Wagnervereeniging. Uit Amsterdam waren, ook door den invloed van de Cortenaers, de Nieuwe Gidsers, de Amsterdammer en de Mirliton honderde voorname menschen gekomen. Tot op de galerij zat intellectueel Nederland.
Hans had al eens door het kijkgat' van ’t scherm in de zaal geblikt . . . Hij sidderde van zenuwangst maar bedwong zich . . . Moeder was niet gekomen, want ze was ’s morgens gestruikeld bij ’t afloopen