i73
Onderwijl echter arbeidde Wentinck met een ongekende energie en werkkracht aan de voorbereiding. Nooit was er zoo gerepeteerd . . . soms tot diep in den nacht. En als allen bek-af waren, heesch van ’t zeggen der verzen, vermoeid van ’t staan, dan was Wentinck nog frisch en krachtig, ging tot in den morgen uit en hij mocht dan amourettes met getrouwde vrouwen hebben zooveel als hij wilde, toch was hij in al de sjieke bordeelen bekend als de bonte hond en hij strooide er met geld.
Hans voelde zijn lichaam in die dagen niet. Hij had zich ingeleefd in de opvatting, die Beer hem van den Hamlet had gegeven, beproefde een vurigen, toornigen, hartstochtelijke Hamlet te creeëren. Hij had het Oude Testament er op nagelezen en beurtelings had hij er over gepeinsd in den Hamlet iets te leggen van den jongen Mozes aan ’t hof van Pharao; van den jongen David; van den dichter van het Hooglied. Iets waars zat er zeker in Beer’s opvatting. Hamlet was geen schepping uit een Christelijke sfeer.. Het was de syn-thèse van de haat- en wraakgodsdienst uit het Oude Testament, het oog om oog en tand om tand met de wijding van goddelijk recht.
Maar op de repetities voelde hij het al, dat hij zichzelf verloor, zichzelf kwijtraakte als hij speelde, zijn creatie niet tot eenheid kon brengen. Het maakte hem korzelig, nerveus, woedend en hij iiet zich daardoor bij de repetities verleiden tot harde woorden, grove opmerkingen, vaak vloeken. Maar zelfs de dilletanten verdroegen dat met bijzondere gelatenheid en de beroepsspelers kregen ontzag voor een man, die zóó dorst op te treden zelfs tegen de dochter en den