i68
als grand seigneur. De provinciale boerenpummels, die bij voorkeur bij Kras aten, de smakelooze hal door den Poolschen keermaker opgericht, als ideaal van orootsteedsche weidschheid beschouwend — keken
o
op, toen zij de luide heerschersstem van Wentinck hoorden. Beer keek verlegen op zijn bord. Maar Wentinck fixeerde de pummels met zijn oogen tot zij hun boerenkoppen, die allen overeenkomst toonden met de koeien en varkens waarmede ze plegen om te gaan, weder afwendden.
Toen de pannekoeken waren opgedischt en bier was gebracht, begon Wentinck over Hamlet te spreken. En om Beer te prikkelen zeide hij, zich herinnerend wat den Thiel eens had orezeed:
,,Shakespeare is een grove rethoricus met knal-tooneeleffecten.” Beer wierp driftig de vork neder, waarmede hij een bete naar den mond had willen brengen.
,,Ik verbied je den grootsten Jood die ooit in ’t Westen geleefd heeft, te beleedigen ...”
„Shakespeare. . . een Jood?” vroeg Wentinck, echt verwonderd.
,,Dacht jij, dat ooit een Engelschman of zelfs een Ier tot zooveel zwier en rijkdom en gevoel in staat zou zijn? Dacht jij, dat ooit een niet-Jood zóó de Joodsche volksziel zou hebben kunnen omvatten als Shakespeare in zijn Shylock? En Hamlet, dat is geen Deen en geen Engelschman en geen Ier, maar dat is de Oostersche prins, dat is de Jood, die in het Westen zijn evenwicht heeft verloren. Shakespeare, dat is een Jood geweest, een van de vele Joden, die in het Westen van de renaissance als kermisklanten,