167
het koninklijke woord en de verheven gedachte te geven. En Sardou is geheel op dat vervloekte ,,du théatre” gebaseerd. Ze geven holheid in stede van volheid en ’t resultaat is dolheid...”
Hans lachte uitbundiger dan ’t woordspel verdiende.
,,Ga je met mij mee dineeren? Ik ben op weg naar Kras ...”
„Graag . . zeide Beer, niet weinig gelukkig met iemand, die er als een echten voornamen Hollander uitzag in een restaurant aan één tafeltje amicaal te mogen zitten. Want hij was nog te jong en te naiëf om bewust te zijn van de hooge trots van zijn edel, uitverkoren ras en ook wist hij nog niet, hoe hij levenslang te lijden zou hebben, als verfijnd eenzaam Joodsch edelman tusschen de schriele, grove, boersche en plebejische Hollandsche natie en levenslang armoede zou leiden, omdat hij zich niet, zooals zijn rasgenooten, door sjacher en zwendel verdedigen kon tegen de natie der roovers tusschen Dollard en Schelde, die de Portugee-zen, de Spanjaarden hadden bestolen, de bevolkingen van West- en Oost-Indië en Zuid-Afrika hadden geknecht en uitgezogen en eerst makker waren geworden, toen ze in de Kngelschen hun meesters hadden gevonden.
„Gebruik wat je wil . . .” zeide Wentinck tot Beer in de groote, kille, glas- en ijzerzaal van Krasnapolski, Beer de spijskaart overreikend ... of willen wij een menu bestellen . . .”
„Neen, neen, neen”, zei 't naiëve Joodje, bang voor zulke schrikbarende uitgave, die hem in de reputatie van een klaplooper zoude brengen, „geef mij maar een pannekoek . . .”
„Aanneme . . . twee pannekoek . . .” bestelde Hans