166
slagen bij cliché’s te verzinnen en sensatie-romans bij kleurendrukprenten te schrijven, sloeg Hans hem amicaal op de schouder.
,,Dag Beer . . . wat ben ik blij, dat ik je ontmoet. . . Ik heb je critiek op Reydings revue gelezen. Donders aardig hoor, om een werkstaking van drogisten-gapers te fantaiseeren, die een einde neemt, als de drogisten hun gapers naar de revue sturen en ze van verveling gedwongen worden, hun bekken weer open te doen, wijder dan ooit te voren. Hoe kom je toch altoos op die nieuwe ideeën?”
Beer keek verheugd en gevleid op naar Wentinck en uit goedaardigheid en dankbaarheid antwoordde hij door Wentinck te complimenteeren over zijn vertolking in „Eerloos!”
„Een goed stuk wat, Eerloos?” Ja, die van Nou-huys wordt groot. En wat een prachtig effect aan ’t slot, die piano die boven speelt, terwijl op het tooneel het tragische oogenblik voorvalt. . .”
„Vindt je? Ik vind het effect valsch. Ten eerste kent het tooneel geen boven, zoomin als het een vóór kent. Het kent slechts achter en ter zijde . . . al het andere verbreekt de illusie van het publiek. . .” „Dat moet je niet zeggen. . . . De hemel neemt altoos een plaats in in de groote tragedie. . .”
„Als abstractie . . . nooit als een voelbare, hoorbare werkelijkheid zooals in „Eerloos”, Maar ten tweede is alle effect op het tooneel uit den booze. Daar heeft Vondel al onder te lijden gehad, toen hij door den glazenmaker Vos werd verdrongen, die het publiek in zijn groven smaak te gemoet kwam door const-ende-vlieghwerck, mechaniek-trucs in stede van