maal werd gehoord. Het vrije Nederlandsche volk is niet geestig, maar als het dan ook een geestigheid heeft gevonden, maakt het daarvan gebruik tot in het oneindige. Zoo weet de arme zich altijd te helpen.
Hans bracht Beer gaarne aan ’t spreken, luisterde dan toe, zoog zijn gedachten in, slurpte van de ziel van het manneke, onderwijl door tegenwerpingen en bestrijding uit de hoogte doende, alsof hij alles veel, veel beter wist. Onderwijl echter hield zijn ijzersterk geheugen vast wat hij hoorde en hij zou er zijn voordeel mede weten te doen. Soms peinsde Hans er over, wat groot, wereldbefaamd man, hij, Hans Wentinck zou kunnen worden, als hij bij zijn quali-teiten van zich weten te doen gelden, zijn voorrechten van uit oud-Hollandsche familie gesproten te zijn, zijn goed voorkomen en zijn Don-Juan potentie, iets had medegekregen van het ras-genie van dit onaan-zienlijke joodje, waarvan hij wel voelde, dat het levenslang miskend en geëxploiteerd zou worden.
Als Abraham Beer aan ’t spreken over Hamlet zou te krijgen zijn, dan, ja dan, Wentinck wist het, zou hij een model-opvoering schitterend van vernuft, vinding, nieuwheid, oorspronkelijkheid kunnen maken. Maar hij kon toch dat joodje niet gaan vragen, hem onderricht te komen geven. Er moest een gelegenheid gevonden worden.
Toen hij hem eenige dagen later ontmoette in de Warmoesstraat bij de Pijlsteeg, juist toen Beer naar de gaarkeuken wilde gaan om voor vijftien centen zijn middagmaal te gebruiken, want zijn honorarium bedroeg zes gulden ’s weeks, wat hij een weinig vergrootte door voor een geïllustreerd stuiverblad kwink-