zelfs niet Janus Tulp van Justus van Maurik zouden kunnen regisseeren. Moeder had, met haar fijne vrouwelijke intuïtie het maar weer al te goed ingezien. Zij waren altegader kamergeleerden, maar geen hunner zou in staat zijn een klassiek treurspel of blijspel te kunnen enscéneeren. Ja, een van hen kende hij, die hem wel zou kunnen dienen, Hij had bij Kolos een paar malen een klein, jong Joodje ontmoet, die onder een pseudoniem, dat Kolos voor hem had verzonnen, verzen in de Nieuwe Gids had mogen publiceeren. Dat Joodje werkte onder de Koo mede aan De Amsterdammer en schreef daar de tooneelcritiek. Hij was zoo onbeduidend van voorkomen, dat ze hem aan de controles der schouwburgen weigerden, wanneer hij er zich met zijn pers-diploma gewapend, vertoonde en de acteurs en de actrices, die hij door zijne rake opmerkingen, van hun opgeblazenheid verloste, wreekten zich, door onder elkaar nooit anders van hem te spreken ais van Trammetje Beertje. Hans had Abraham Beer een paar keeren gesproken en toen gevoeld, dat juist wat hem Hans ontbrak, ziel en persoonlijkheid, in dit kleine, kleine kereltje zoo ruim aanwezig waren, dat hij wel de ziel van een geheel volk in zijn ontwikkeling door de eeuwen heen, in zich scheen om te dragen. Daarom zocht hij den omgang van het joodje, dat niet weinig trotsch was samen te mogen wandelen met den voornamen, heer-achtigen, jongen tooneelspeler. Want de collega’s van Abraham Beer liepen niet graag met het manneke op straat al zou het alleen maar geweest zijn om het naroepen van de geestigheid: „anderhalve cent”, die toch minstens op elke wandeling tien