I 62
voer je toch niet eens een groot klassiek drama op, een drama in verzen, waarin jij de hoofdrol vervult?...” ,,Welk dan moedertje-lief? U weet niet hoe bot het publiek is, hoe achterlijk. U heeft toch laatst in Odeon, toen ik de Zeven tegen Thebe van Hendrik Leezer reciteerde zelf gezien, hoe gering de belangstelling voor hooge kunst is. Twaalf menschen in de zaal, waarvan zes vrijkaarten, drie familieleden en drie critici, die mij in hun kranten, in hun vuile pamphletten hebben afgemaakt . . .”
,.Ja, maar dat ligt ook aan die Nieuwe Gidsbeweging. Daar wil het publiek niet aan. Ik begrijp niet, waarom je zoo met die menschen dweept. Zij kunnen wel in lyrische verzen om hun doode of levende liefjes zeuren of van hun eigen ziel spreken en vertellen, dat-ie zoo mooi is, maar het zijn geen toonec-1-schrijvers. Het zijn allen menschen uit den kleinen burgerstand, zoons van kleermakertjes, brievenbestellers, verversknechts ... en al willen ze ’t niet weten, ze hebben allen nog wel wat van die klein-burgerlijke doleerende rechtzinnigheid, die hun het tooneel als iets zondigs doet haten. Ik zelve Hans, heb ook die schuwheid voor het tooneel gehad, weet je’t nog wel, zoo in ’t begin . . . vóór dat ik door jou de verheven plaats van het tooneel leerde kennen, vóór dat ik door jou de groote dichters leerde kennen . . .” ,,Maar wat zou ik dan moeten spelen?...”
„Als je eens Hamlet opvoerde . . .”
„Hamlet ? . . .”
„Ja, schrik je daar zoo van?”
„Ja moeder . . . Shakespeare is men ontwent in Nederland ...”