Henriëtte, zoo eerlijk is-t-ie als ’t op de hooge kunst aankomt. Zes jaar geleden komt er een man bij mij met een schilderstuk van een zekeren Jongkind en hij wou ’t mij ten laatste voor drie tientjes laten. Ik zeg, zet het neer, ik zal ’t laten keuren, ’k Roep van Delft er bij, die zegt zooals hij ’t ziet: ,,Da’s een juweel. Koop er daar twaalf van tegen eiken prijs. Nou ja . . . hij weet wel, dat ik het huisje bij ’t schuurtje laat. Maar vier van die schilderstukjes heb ik toen toch gekocht, niet voor miizelf want ik hou niet van die kloddeiige maanrcz'chtjes, dan zie ik toch maar liever nog een met paarlemoer ingelegd Chineesch blad . . . dan is het of je de maan zelf voor je heb. En voor die vier sehildeiipjes heb ik verleden je ar, toen ik ze in de veiling stopte omdat ze mij verveelden, twee duizend gulden gemaakt. Zoo heb ik heel wat voordeeltjes door dien gannef gehad . . . dus laat ik hem maar een sigaartje gappen ...”
Terwijl Focke sprak was een kring van gasten om hem heen komen staan en allen hadden al lachende gezichten, vol verwachting op ’t verhaal van de nieuwste, doi'e grappen van dien raren van Delft.
,,Laatst liet ik mijn gevulden sigarenkoker bij hem op zijn zolder achter, waar-ie te klodderen zit. Hij stuurt mij den koker eerlijk terug; er zaten achttien karaats gouden hoeken om, zie je. Maar ik doe den koker open . . . zitten er in plaats van mijn import stinka-dores in... stinkadores merk Veenhuizen!”
Een schaterend gelach ging op uit de omstanders. Zij keken elkaar aan, met roode hoofden, open monden, hihihi . . . hahaha . . .
,,Jawel,” ging Focke voort, ,,maar ik troefde hem . . .