Hij heeft als-ie bij mij kwam, telkens een. van zijn eigen sigaren uit mijn koker moeten oprooken tot ze allemaal op waren ...”
Het gelach schalde nü weer op . .. ,,Die is goed. Neen, dat is er nu weer net een voor mijnheer Focke. Zijn eigen stinkadores, ha, ha, ha. . . Merk Veenhuizen...”'
Hans voelde zich diep vernederd. En dezen parve-nue, gierig tot op een sigaar voor een doodarm schilder, die hem door zijn raad duizenden aan schilderijen deed verdienen,‘zou hij geld voor een schouwburg moeten vragen ...
Hij wenkte Henriëtte en zij kwam met hem mede, volgde hem naar het venster.
„Ik geloof niet, dat de gelegenheid vandaag goed is . . .” ’«zeide hij.
„Laat hét maar aan^mij over.-..”
„Dat zal ik zeker. .. Morgen kom ik in ’t middaguur bij je... jen verwacht dat-je mij geld brengt...”
„En als ik het niet breng?”
„Dan ga ik weg uit Rotterdam ... uit Holland . . . dan ga ik naar Londen ...”
„Om Godswil, Hans . . . blijf hier ... ga niet weg . . .”
„Dat ligt aan jezeive . . . öf geld ... öf ik ga mijn fortuin in ’t buitenland zoeken ... je weet, voormij is het spelen in een vreemde taal niet moeielijk. Ik .verwissel van taal zooals een ander van een overhemd...” * '
„Ja, ik weet, dat .je een knappe, heerlijke kerel bent... Ik zal vóór geld zorgen... maar dan moet