„Om de queue de Paris van mevrouw Zwaluw... Geen zweem van talent... en een fatsoenlijke vrouw, een door- en- door fatsoenlijke vrouw . . . Maar om te zien een lekkere mokkel en alleen voor ’t gezicht van de queue de Paris van een andermans fatsoenlijke, vrouw hebben die Rotterdamsche kunstmaece-nassen jaar in jaar uit duizenden bij betaalt. . . Dus beste jonge vriend . . . laat ons de glazen eens vullen en klinken op jouw nieuwen schouwburg etcetera . . . etcetera ... Je hebt geen ander répertoire noodig dan een paar lekkere mokkels, waarop de Rotterdamsche parvenue kan drooggeilen . . . Daar gaat-ie ...”
En zij klonken en lachten driest en overmoedig, ziende langs de tafels met de reeders, de werfbe-zitters, de groote kooplui, met hun door wijn verhitte grove, boerensluwe tronies.
Hans zag over zijn glas naar Henriëtte, die hem wenkte bij zich te komen.
En met een duiveisch lachje om zijn vasten, ener-gieken mond, zijn arendsneus hoog op, liep hij achter de gasten om naar heur toe.
Toen hij bij haar was, zei zij, haar hoofd dicht bij het zijne:
„Lieverd . . . laat je nu hooren . . . reciteer nu wat . . . iets ernstigs . . . niet iets lolligs, want dan worden ze nog lolliger en ze nemen je in de maling, als je straks over je comedie begint ... Ik heb vader al een beetje warm gemaakt. . . En drinkt niet te veel lieverd ... je weet wèl hè . . . voor vanavond, —- nou lieverd . . . niet te lang . . , ze roddelen toch al zou gauw in de stad ...”