waarmee ze net zooveel verdienen om niet te verrekken van honger cn kou en voor d’r kleeren mogen ze -dan ’s avonds^ de hoer spelen. De mannen worden als slaven in hun hallen van ijzer en glas opgesloten.” „Ben jij zoo rood geworden Schóenstadt?” vroeg van Delft, zijn bord met een toren vleesch ladend van den schotel met de entre-cöte a la jardinière.
„Ja, ik ben socialist . .
„Daar mag je wel mee, oppassen om dat te zeggen. — anders leg je er hier zoo meteen uit. Ik ben ook socialist... ik heb thuis de verslagen van de Enquête van 1880 die ze verleden week hebben uitgegeven . . . en wie die leest mót socialist worden. Maar ik zal mij niet er over uiten hoor . . . Vorige week vraagt Focke mij nog, of er wat kwaads zou te wachten zijn van Domela en zijn aanhang. ’k Zeg, die man wordt door het eigenste volk dat-ie zoo verdedigt het eerst verraden... precies zoo, zeit-ie, ik mag lijen dat ze hem kielhaken, dan geef ik een oranje-fuif . . .”
„Ik zou Focke willen interesseeren voor een Neder-landschen Schouwburg met een oorspronkelijk klassiek en modern repertoire.”
„Da’s een mondvol” meende van Delft.
„Als je van mij een raad wilt aannemen, klamp hem dan daarmee niet een boord ... of. . . of. . .” ,,Nu ?” vroeg Hans, Schóenstadt onderzoekend, aanziende.
„Nu ... of je moet hem uitzicht geven op een goeie collectie queues de Paris. Je weet, dat-ie „de v Rotterdammers” sinds jaren steunt...”
„Ja . . . met duizenden.”
„Maar weet je ook waarom?”