146
geweten had, dat je ook van de partij zou zijn, had ik mijn dochter gevraagd of je niet wat had kunnen instudeeren. Want da’s altijd wel reis aardig. Toen de ,,Hillegonda” afliep, dat was de veertigste stalen schroefstoomboot, hadden wij Willem van Buijten er bij. Wat we om die hebben gelachen. Dat was er eentje hoor, die kón het... ’k Heb hem toen uit dankbaarheid bij zijn jubileum een krans gestuurd.” Focke had hem jovialerig toegesproken, op de quasi-goedaardige, ronde wijze, wu mede hij de slaven van zijn inrichtingen suggereerde, dat hij zoo'n goeie man was en dat zij het veel beter zouden hebben als de meesterknechts maar niet zulke pestkoppen waren.
,,Een krans ? Dat was royaal van u . . . ja, ja de Rotterdammers- staan bekend voor hun royaliteit jegens kunstenaars,” antwoordde Hans met zijn krachtig geluid.
Maar diep-in was hij terneergeslagen. Een krans als belooning voor het vermaken van zijn gasten op een feest ter eere van het welvaren van zijn zaak. Dat was niet veel. Een poppekastvertooning op een kinderpartij was duurder. En hij, die hoopte, dat Focke met zijn vrienden hem aan kapitaal voor een eigen schouwburg zouden helpen. Maar Hans richtte zich in zichzelf op, met de gespannen lippen benedenwaarts, klemde zijn tanden op elkaar, ,,ik zal het bit tusschen de tanden nemen, ik wil slagen, ik wik”
In de groote achterzaal waren de tafel hoeiijzer-vormig geplaatst met veel bloemen, kristal, zilver. Focke zat aan ’t hoofd van de tafel, rechts zijn dochter, links «zijn schoonzoon. Hans was bijna geheel beneden aan de takel geplaatst bij van Delft en Sc’noen-stadt, den zoon van een Duitschen kellner, die con-