144
Een paar reeders die hem hadden hooren spreken, barstten in lachen uit.
„Ben je nou al aan de gang. Jij zal er wat van maken ... als je straks aan de Bordeaux bent. . .” „Aan de Bourgogne . . . daar zullen jelui Delfje eens leeren kennen. Ik kreeg vanmorgen den deur-waarder bij mij voor de huishuur. Wa mo je van mij hebben? vraag ik hem. „Centen zegt-ie.” „Kaje eerder van de Maasbrug springen, dan da je van mij centen ziet. . .” „Dan excecuteer ik je” zegt-ie . . . Laat ik hem stil zijn gang gaan en toen-ie alles opgeschreven heeft, zeg ik met een leuk smoel nog eens tegen ’in : Wa mo je van mij hebben ? Centen, zegt-ie weer. „Motten het cènten zijn?” vraag ik. „Leg niet te lullen, gèld dan als je ’t wilt.” Zeg ik, had dat eerder gezegd, dat je met guldens ook tevreje bent en tel ’m het bedrag in guldens uit. . . hahaha . . . allemaal nieuwe guldens . . .”
Er ging een schaterend gelach op.
„Hij zal goed worden Delffïe ... hij zal goed worden, vandaag . . . Daar zullen wij wat van beleven „En wat zei je vrouw, Delffïe?...”
„Die . . . dat lekkere dier had een boender op de trap laten liggen, dat ze met z'n drieën d’r nek zou wen breken . . . maar deurwaarders breken d’r nekken alleen in rijkeluis huizen ...”
Er ging een onbedaarlijk gelach op om de grap. Hans had in zich het afgrijzen voelen oprijzen, toen hij deze grove, rijke plebejers-zonen zich vermaken zag met hun tot nar gedegradeerden kunstenaar. En dat afgrijzen gaf hem de kracht om zich weder te voelen, zich bewust te zijn. Toen Focke binnenkwam