143
als van een volgegeten buik, stond een groote zwart marmeren pendule met een bronzen groep er op van de drie Parzen naar de schilderij van Thumann. Terzijde twee bronzen kandelaars op marmeren voetstukken.
,,Ben je hier ook Wentinck?”
Hans keek op. De teekenaar van Delft, medewerker aan het Humoristisch Album, stond naast hem.
„Zooals je ziet,” zei Hans koel.
„Het wordt vandaag goeiem hoor. D’r zal wat te bikken zijn voor ons menschen . . . Versche zalm van Miet Hasekamp. En biefstuk, dik als een vuist. . . en jonge doperwtjes . . . versche . . . versche . . . niet uit de bus. Focke wou eerst niet, dat ik kwam. Wat zeg je van zoo’n gemeenheid? Ik ken den man al dertig jaren, we zijn al met mekaar zoo uitgeweest, dat wij mekaar zoo bekotst hadden, dat de een niet wist wie de ander was van het vuil dat we over mekaar uitgebraakt hadden en nou wou hij mij thuis laten. Maar hij heeft het niet gedurfd hoor. . . ,,Ik kom hoor, zeg ik tegen hem, uitgenoodigd of niet uitge-noodigd, maar ik kom.” ,,En wat krijg ik er dan voor?” vraagt ie mij. ,,’k Zeg, ik zal je teekencn terwijl je met een hamer de klink losslaat van je vijftigste stalen schip ...”
„Nou, kom dan maar . . .” ’k Heb een rooie zakdoek van huis meegenomen voor ’t dessert, voor mijn kinderen zie je. Ik ben al bij Schürmann den suikerbakker aan geweest en heb hem gezegd, zorg dat er genoeg is, want ik kan nog altijd meer snoepgoed weghalen, dan jij er kunt brengen . . . Wel ja . . . een huisvader met zes kinderen ...”