142
komen ... en dan op mijn slaapkamer komen, stil binnensluipen ... ik zal de deur laten aanstaan . . . en dan moetje naar het groote likeurstel gaan, dat aan ’t voeteneind van mijn bed staat. . . daar bewaar ik mijn geld in . . . en dat moet je wegstelen ... zal je 't doen? Zal je ’t doen? ... en daarna kom je bij mij in bed . . . lekkere dief, dief, dief. . .”
* * *
Toen Hans in het groote huis in de Witte de Withstraat kwam om deel te nemen aan het diner ter eere van het te water laten van de vijftigste stalen schroefstoomboot van de werf van Focke, was de voorkamer al vol met genoodigden. Hij voelde zich vreemd tusschen al die zware, groote, plompe mannen met hun grove, harde, boersche tronies. Hoewel hij van meer dan middelmatige lengte was, voelde hij zich gedrukt, angstig, alsof hun forsche lichamen zijn fijn, rankopgerezen lichaam zouden kneuzen.
Hans keek de kamer eens rond om zichzelf vaster en bewuster in deze ruimte te voelen. Er lag een groot Axminster tapijt met een wolwit fond waarop groote, roode bloemen, van een roodekoolachtig rood, dat hem aan oprispingen na te vet eten deed denken. Er stonden zware, zwarte meubelen met gebogen lijnen, buikig, als opgezet, van veel en overdadig eten. Op de zwart marmeren schoorsteenmantel, met welvingen