,,De hoekjes ook nog, ook nog de hoekjes . .
Hij liet haar de hoekjes uitlikken.
,,Ben je nu tevreden?. . . Blijf nog een beetje bij mij . . . weet je wat ik heerlijk zou vinden ... als jij mij alles afnam . . . alles ... tot ik mier-arm was, tot ik de baan voor je op moest ... ik wou dat ik de baan voor je op moest ...”
Hij voelde, dat hij bloedrood om haar heen was, achter haar, voor haar, onder haar, boven haar. Hij lag rood en slank onder de sofa, stond rood en slank in de hoeken van de kamer, vond een zalige overgave in het gevoel haar als een veile, getrapte, onderworpen hoer bij zich te zien.
,,Steel wat van mij,” vroeg zij. ,,Hier, hier. . . neem mijn ringen . . . steek die in je vestjeszak . . .” Zij schoof haar ringen van de dikke, ronde vingers, stopte ze hem in de hand. Hans had het gevoel of iemand hem een te kleine fooi sluiks in de hand drukte.
,,Ik kan niks geven, zie je . . . ik ben er zelf ongelukkig door, maar ik kan niks geven ... als ik iets geef, doet het mij pijn ... ik lijd er onder . . . Dat heb ik van mijn vader . . . die is net zoo . . . die moet ook zijn besten werkman altoos beknibbelen, met hem strijden over een halve cent loon meer in ’t uur, alleen omdat-ie ook niets kan missen. Maar steel het van mij . . . mijn vader wou ook altijd bestolen zijn . . . met Sinterklaas deed-ie express zijn broekzak vol rijksdaalders. en dan moest ik ze er stilletjes ’s morgens vroeg uitnemen en mocht er een cadeau voor koopen. Géven kon - ie niet. En ik ben ook net zoo als hij ... je moet met een valschen sleutel ’s nachts bij mij binnen-