136
„Weet u wat ik zoo prachtig in uw gedicht vond?
Dat „wachten, zei mooi Heintje, wachten,” néé hè.
dat vond ik nou zoo echt leuk .... Ik heet zelf
Heintje mot u weten, mijn eigenlijke naam is Hen-
riëtte, maar ik ben altoos Heintje genoemd. En nou
was het mij net alsof u tegen mij mooi Heintje • )» zei.
„Het sloeg anders op Frederik Hendrik,” antwoordde Hans, de rrr’s van het Frederik en het Hendrik, vóór in den mond zeggend en ze doende rollen.
„Frederik Hendrik?” herhaalde zij vragend en zij keek hem met haar groote, lodderige, waterblauwe oogen even aan, kleurde toen zwaar en begon verlegen aan de fluweelen tasch met zwaren zilveren beugel te plukken, die op haar dij hing.
„Ja prrrins Frrrederrrik Hendrrrrik „Ik ben niet erg in de Oranjes thuis .... ik dacht, dat prins Frederik allang dood was . . . Die Willem Drie heeft wat ongeluk in zijn familie gehad. Je kent er ook zoo mee sukkelen. Ik heb ook twee kinderen, die niet heelemaal zoo tierig zijn. Mijn dochtertje reciteert anders óók heel aardig. Laatst heeft zij nog op den verjaardag van haar grootvader een verssie opgezegd van .... nou hoe heet-ie ook weer, van die man, die in verf dee en nou een stambeeld heeft in ’t Park .... Kom nou .... ’s winters trekt-ie altoos een houten paletootje an . . . . hahaha „Tollens ?”
„Ja.... juist Tollens. Dat je nou niet dalijk op zoo’n naam kan komen hé ... . Nou dan, dat zee ze toch zoo lief op, zoo echt lief, dat d’r grootvader