i35
collega van mij die zich doodgezopen heeft, omdat ie geen doekje meer aan den man kon brengen, toen-ie plein-air ging schilderen.
D’r vaer moest niks van een armen schilder hebben en heeft haar toen maar gauw aan een ingenieur gekoppeld. Die kerel had tuberculose en dat ouwe schoelje wist het wel, maar zoo zijn ze in de Rotte stad, liever tering met geld of positie, dan een gezonden kerel maar met een geestelijk ideaal. Zij heeft twee kinderen, een doofstommen jongen en een meisje met een horrelvoet. Nou raken ze mekaar niet meer aan, hij heeft een maitresse in Brussel en zij schuift zoo wat de ateliers af. Zij stikt van het geld, maar ze is pestgierig. Als je bij ze ten eten wordt gevraagd, vertelt ze je bij eiken hap vreten, die je krijgt, hoeveel het gekost heeft en als je weggaat loert ze aan de deur hoeveel fooi je aan de meid geeft. Een Rotterdamsche geeft nooit wat, zelfs geen hap eten aan haar tafel of ze moet er voor terugbetaald worden. „Waarde aan goederen genoten zie je.”
„Heeft zij zelve geen minnaar?”
„Die kan ze niet krijgen. Wie wil zoo’n meulen-paard ?”
„Ze is toch niet heelemaal verwerpelijk
Hans keek haar terzijde aan. Zij was grof en dik, maar toch niet wanstaltig en het ronde, groote boe-rinne-gezicht was frisch.
„Doet ze je wat?” vroeg de schilder.
„Dat zeg ik niet, dat zeg ik niet
„Nou, pas maar op. Ik weet niet of zij heelemaal uitgeziekt is . . . .”
De groote, dikke blondine kwam weer naar Hans toe.