Mombakkes de groote Comediant

Titel
Mombakkes de groote Comediant

Jaar
1894

Pagina's
192



i35

collega van mij die zich doodgezopen heeft, omdat ie geen doekje meer aan den man kon brengen, toen-ie plein-air ging schilderen.

D’r vaer moest niks van een armen schilder hebben en heeft haar toen maar gauw aan een ingenieur gekoppeld. Die kerel had tuberculose en dat ouwe schoelje wist het wel, maar zoo zijn ze in de Rotte stad, liever tering met geld of positie, dan een gezonden kerel maar met een geestelijk ideaal. Zij heeft twee kinderen, een doofstommen jongen en een meisje met een horrelvoet. Nou raken ze mekaar niet meer aan, hij heeft een maitresse in Brussel en zij schuift zoo wat de ateliers af. Zij stikt van het geld, maar ze is pestgierig. Als je bij ze ten eten wordt gevraagd, vertelt ze je bij eiken hap vreten, die je krijgt, hoeveel het gekost heeft en als je weggaat loert ze aan de deur hoeveel fooi je aan de meid geeft. Een Rotterdamsche geeft nooit wat, zelfs geen hap eten aan haar tafel of ze moet er voor terugbetaald worden. „Waarde aan goederen genoten zie je.”

„Heeft zij zelve geen minnaar?”

„Die kan ze niet krijgen. Wie wil zoo’n meulen-paard ?”

„Ze is toch niet heelemaal verwerpelijk

Hans keek haar terzijde aan. Zij was grof en dik, maar toch niet wanstaltig en het ronde, groote boe-rinne-gezicht was frisch.

„Doet ze je wat?” vroeg de schilder.

„Dat zeg ik niet, dat zeg ik niet

„Nou, pas maar op. Ik weet niet of zij heelemaal uitgeziekt is . . . .”

De groote, dikke blondine kwam weer naar Hans toe.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.