134
de dikke schommels tot hem gekomen, hadden hem besnoven en begnoven en Hans had zonder bepaald een krijgsplan op te maken, maar uit natuurlijke geaardheid, gespeurd naar de vrouwen, die hem door haar invloed van dienst zouden kunnen zijn om een ideaal, dat hij zich gevormd had, te verwezenlijken.
Een groote, dikke vrouw, de dochter van een grof-smid, die het tot eigenaar van een werf gebracht had en die door haar vader in ’t belang van zijn zaak, uitgehuwelijkt was aan een van zijn ingenieurs, zooals hij haar, zoo hij arm was gebleven, naar een fabriek zou gezonden hebben om tien uur daags hetzelfde pakje te pakken, complimenteerde hem onhandig opdringerig, toen hij na de stichting der vereeniging, voor de aanwezigen, de „Scheepspraat” had voorgedragen.
„Wie is die dame?” had hij aan een der oudere schilders gevraagd, die lid van de „kunstclub” was geworden.
„Dame? Dat’s de rijkste zeug van de Rotte-stad. •D’r vaêr is een rijk geworden grofsmid. Vroeger, toen ik nog koeien en molens fabriekte, heeft-ie mij wel eens na veel pingelen een stukje afgekocht. Later, toen ik mijn weg vond en persoonlijkheid in mijn werk lei, heeft-ie mij uitgelachen. Hij is toen in handen van een troepje vervalschers geraakt, die hem op de paneeltjes van oude stilletjes en pleetjes geschilderde gothieken en zeventiende eeuwers hebben aangesmeerd. Wat voor de esse tee geboren is, blijft voor de esse te bestemd . . .”
„Ja, ja... maar zij? Wat is zij eigenlijk?”
„Zij was smoor op Overschie, je weet wel, die