133
stitué, die haar geilheid mocht aanwakkeren, maar overigens moest hij buiten de deur blijven van hun ongastvrije, bonte, pronkerige binnenhuizen, welks wanden onveranderlijk werden behangen met botte portretten van weiden, molens en koeien, herinneringen aan hun afkomst of met afbeeldingen van deemoedige plebejers, hun ideaal van het „volk”. De schilder kwam een enkele maal die schriele woningen binnen, op voorwaarde dat hij met anecdotes, de ellende van den bohème „humoristisch” illustreerend, de parvenue-families opvroo-lijkte. Dan kochten ze hem door streken zijn doeken voor altoos veel te lage prijzen af, zich houdend alsof zij weldadig waren, diep-in echter al overleggend hoeveel méér zij als gladde, geslepen vogels voor de gekochte geschilderde waar zouden weten te maken als die halve idioot, die zijn goed niet als koffie of graan of andere pakhuis-waar beschouwde, maar als iets waarin zijn ziel leefde, waarvoor hij leed en verdroeg, die hulpelooze idioot, die er een overtuiging en een levensdoel op nahield, ijdel was op een lapje beverfd doek en daarvoor honger leed in stede van ijdel te zijn op gevulde pakhuizen, schepen, werven, machineriën.
Hans had al spoedig bemerkt, in welke minachting de kunstenaar in ’t algemeen, de tooneelspeelkunst in ’t bijzonder, te Rotterdam stond. Maar ook wist hij, dat er voor hem een weg openstond toegang tot de families te krijgen. Dat was door de getrouwde vrouwen. Reeds op de eerste vergadering van zijn kunstclub, nadat hij met zijn forste stem de aanwezigen, met een uit het hoofd geleerde rede, die voor een improvisatie moest doorgaan, had begroet, waren