haar daartoe weinig gelegenheid. Haar gebrek aan opvoeding dwingt haar, wanneer zij zich voor kunst wil interesseeren, bijna uitsluitend muzikale kunst te waar-deeren. Zij zingt dan gaarne mede in koren, waarbij zij flauwe, onderbewuste herinneringen streelt van het kerksch zingen van haar voorouders en tegelijkertijd stem en lichaam prostitueeren kan, zonder daarvan den schijn op zich te laden. Toen Hans Wentinck te Rotterdam kwam, was heel vrouwelijk Rotterdam verliefd op Willem van Buyten, een ietwat laag-bij-den grondschen komiek met een groot lichaam en glad, rond, uitdrukkingloos boerengezicht. Deze comediant, haar met zijn grollen vermakend, gaf haar tevens de kitteling van den grooten, groven boerenknul, die haar onderbewustzijn als schoonheidsideaal kent. Maar Hans, die al spoedig in roddelziek Rotterdam bekendheid had verworven als een jonge man met groote potentie, verdrong al sfauw den toch al ouder wordenden van Buyten in de fantaisie der Rotterdamsche boerinnenen dienstboden-nakomelingschap. De meeste vrouwen was het voldoende ’s avonds haar mannen mee naar den schouwburg te troonen, daar zich op den élé-ganten, jongen tooneelspeler, die in ’t een of ander grof of lorrig stuk moest optreden, op te winden en dan ’s avonds na een zwaar souper met wijn en oesters, haar walgelijke geilheid veilig door haar eigen man te laten blusschen. De kinderen uit die omarmingen geboren, werden dan weder de materialistische, grove, ploertige parvenues, zoo geschikt voor de anarchistische sjacherstad, bewoond door een klein groepje door sjacher rijk geworden regentenfamilies en een groote menigte slecht behuisd, onderworpen plebs,