XIII.
De jonge tooneelspeler Hans Wentinck had te Rotterdam spoedig veel succès. Het was voor Rotterdam, de stad der handelsparvenues, der opkomelingen uit den kleinen burgerstand, een gebeurtenis, dat aan het tooneelgezelschap iemand verbonden was, die niet uit de kringen der oude comedianten-families stamde. Het waren vooral de getrouwde vrouwen, die de reputatie van Hans Wentinck dadelijk gemaakt hadden. Want de Rotterdamsche koopmansvrouw is een ontwrichte boerin, zonder veel fijn gevoel, zonder veel beschaving, zonder iets van de innerlijke „dame” in zich, zooals de Rotterdamsche koopman, een maar nauw gefatsoeneerde boerenpummel is, met al de eigenschappen van boer, te kwader ure van achter het varkenskot weggehaald. De Rotterdamsche koopmansvrouw heeft van haar moeder of haar grootmoeder de boerin het pronkerige, de zucht naar groven opschik en pralerig vertoon en het geile behouden. Heur zwaar, groot, vet lichaam, te veel gevoed, verluierd door gemakkelijk verkregen rijkdom ; heur leege geest, heur materialistische aanleg | heur smakeloosheid en heur gebrek aan traditie van beschaving is altijd begeerig naar grof avontuur. Maar haar dorpsche, kleinsteedsche, laster- en kwaadspreekzieke stad, biedt