Mevrouw Cortenaer kwam naar hem toe.
„Bent u niet erg, erg vermoeid, mijnheer Wen-tinck?”
„Maar neen mevrouw, niet in ’t minst?”
,,Ik dacht het ... en het zou niet verwonderlijk zijn, na een zoo drukken dag en een dag van zooveel succès. Mijn man is een van de steunpilaren van het Rotterdamsch Tooneelgezelschap. . . Ik heb al straks met hem over u gesproken. U moet bepaald naar het groote tooneel . . . u zult daar spoedig een van de eerste krachten worden. . .”
Hans bloosde van geluk.
„Bent u daardoor zoo gelukkig, dat u er van bloost?” zeide zij.
En meteen keek zij hem in de oogen en hij begreep wat zij wilde.
„Mag ik u ook om een dans verzoeken . . . heeft u de wals nog over?” vroeg hij.
,,U komt wel iaat bij mij ... u denkt zeker ook, de jeugd gaat voor?”
„Dan zou ik u ’t eerst hebben moeten vragen, want u straalt van jeugd. . .”
Hij zag dit zeggend, haar aan en vond haar grof, zwaar, lomp, met stroef vleesch en een duf lichaam. Maar de muziek begon de Donau-Walzer van Strauss te spelen en zij zeide, jeugdig doende ais een bak-visch en haar oogen verlangend naar hem opslaande:
„Dat vind ik een hemelsche wals. . .”
Hij sloeg zijn arm om haar heen en deed zijn lichaam met haar walsen. Zij gaf zich over, zwijmelde in zijn arrn. Zij werd warm en de geur van haar lichaam dampte tot hem op. Opeens bracht die geur