125
hij zag hoe de kellner zijn glas met champagne vulde, maar hijzelf, scheen voor zichzelf toch nog altoos te zitten. „Dames en Heeren!” begon hij...
Het was doodstil.
„Dames en Heeren . . . Mij dunkt, niet beter kan ik doen dan te zeggen, dank, dank, nogmaals dank. Het is te veel, te overstelpend . . . Dank, nogmaals dank, aan allen . . .”
Hij ging weer zitten. Men klapte uit hoffelijkheid. Maar Hans voelde wel, dat men meer van hem verwacht had. En dit besef, drukte hem neer, maakte hem melancholiek. Hij dronk nu opzettelijk veel champagne om over zijn trieste bui heen te komen. Na het diner werd likeur geserveerd en in de zijzaal begon de dansmuziek te spelen. Hans dronk veel likeur, maar hij bleef nuchter, somber, had sterker dan ooit het gevoel van naast een afgrond te loopen, die hem aangaapte, die hem dreigde op te slokken.
Hij vermande zich, ging naar de jonge dames, die medegespeeld hadden, schreef zijn naam in haar boekje, danste met ze, zijn lichaam weder als een mechaniek voelend, dat hij zelf van diep-uit bewoog, terwijl hij zelf niet er bij was.
De meisjes met wie hij danste, waren in zijn armen als gebiologeerde duifjes. Zij drukten zich tegen hem aan, zagen naar hem op, dankbaar, verlangend, hartstochtelijk. Hij merkte hoe zij den geur van zijn lichaam opsnoven, hem drukjes gaven, zich met haar boezems tegen hem aan, tot hem opwierpen. Maar hij bleef koud, voelde zich machteloos, laf, flauw, gedrukt, altoos nog zwaarmoedig zinnend over het vreeselijkoogenblik. toen hij geen woord uit zichzelf voor het beantwoorden van den toast had kunnen vinden