orkest terzijde schuin de zeggers en de zegsters van de reien. En hij, met zijn snel accaparatie-vermogen, had hun de verzen voorgezegd, juist zooals hij dat van Leezer had gehoord, met een imitatie van Leezers stemgeluid, Leezers intonaties, Leezers gebaar.
De liefhebbers vonden het wel vreemd, maar het nieuwe, ongewone bekoorde en toen na twee maanden van ijverig repeteeren de voorstelling plaats vond, kwamen ook de mannen van de Nieuwe Gids, die uitgenoodigd waren, luisteren. Het publiek van ge-nocdigden verveelde zich, verveelde zich gruwelijk, den heeien namiddag van één tot zes ure, niets anders hoorend dan het dreunen en deunen van de lijzige verzen met willekeurige intonatie, zonder eenig verband met den logischen inhoud. Maar men bekende het elkaar niet, juichte de liefhebbers toe en vooral den régisseur Hans Wentinck, die tevens de rol vervulde van Pala-medes. Aan het slot werd Hans naar ’t voetlicht geroepen, kreeg een grooten lauwerkrans en daarna werd hij uitgenoodigd, deel te nemen aan het diner, dat bij Couturier aan alle medewerkers en hun families door het bestuur der vereeniging werd gegeven.
En aan het diner nam de heer Cortenaer het woord, sprad Hans toe, roemde hem als de inaugurator van een nieuwe Nederlandsche tooneelspeelkunst, de jonge man, die de kunst van het verzen zeggen weder in eere had gebracht, die als door een goddelijke intuitie geleid, het grootste treurspel van de Nederlandsche renaissance had doen herboren worden.
Hans wilde antwoorden. Maar toen hij opstond, voelde hij, dat hij geen woord uitzichzelf zou kunnen zeggen. Hij stond zelf rechtop achter de feesttafelen