122
„Maar Vondel heeft toch al die treurspelen geschreven om ze te doen vertoonen?” vroeg Hans.
„Dat kan wel zijn. Maar als ze vertoond zouden worden, dan behoorden de vertooners ook zelve superbe kunstenaars te zijn, die de muzikale gedachte in zich voelden. Ik gelool niet, dat wij op ’t oogenblik tooneelspelers hebben, die zoover zijn. Wat ik er tot heden van hoorde, en ook mijn vriend hier en Thym en van der Goes en van der Horst spreken er wel eens over, belooft niet veel. De menschen gaan aan het tooneel om hun zinnelijkheid bot te vieren of uit ijdele roemzucht of heel pienter hoor, bijzonder pienter, om een goed maandgeld te verkrijgen, dat ze met fatsoenlijken arbeid op een graan-kantoor of op een fabriek van waskaarsen of margarine niet zoo gauw zouden verdienen.”
,,Bij de Grieken,” zeide nu de roodharige dichter, „was het drama, essentie van de volksziel zelve, was het tooneel een cultus, een ceremonie. De Grieken hadden het gebaar .... het weidsche gebaar der alomme schoonheid. Hun góden, zij zagen ze belichaamd in menschengestalten en wie die menschen-gestalten nu uitbeeldde, zelf zich voelend als een godheid, dragend in zich de verhevenheid van de volksziel in een kernpunt, hij was spelend de heerscher, de priester, de droomer, de zegger van de goddelijke essentie zelve .. . .”
De twee jonge tooneelspelers waren stil. Hans voelde zich benepen, klein, dom. Maar zijn groote weetgierigheid gaf hem weer moed.
,,En hoe zoudt u dan een Palamedes opvoering regelen?” vroeg hij den roodharigen poeët.