Vroolijk, gelukkig, gesterkt, vol vertrouwen in zijn roeping, die hij door de woorden van zijn moeder hervonden had, was Hans naar de tooneelschool gegaan. Aan de deur werd hij opgewacht door Bos, een ex-kellner, die veel aan het liefhebberij-tooneel gedaan had en nu door een vereeniging in staat was gesteld op de Tooneelschool zich te ontwikkelen. Hij was een groot bewonderaar van Hans, keek naar hem op als naar een genie en was heel gelukkig als hij met Hans eens een stukje den weg mocht uitgaan. Als Hans sprak zweeg hij met eerbied, luisterde, nam het geloovig aan. Als Hans op het studie-tooneel speelde, was Bos altoos zijn toeschouwer. Dat geloof, dat enthousiasme, die bewondering schoorden Hans en zoodra Bos niet als toeschouwer en bewonderaar aanwezig was, voelde Hans zich onrustig, onzeker. Daarom had hij Bos nu en dan ook wel eens mede naar huis genomen, als hij repeteerde. Dan zat de ex-kellner geduldig en aandachtig te luisteren, had nooit anders dan bewonderinp- en het was deze critiek-
O
looze bewondering, welke Hans aanvuurde.
Zoo was er dan tusschen beiden een vriendschap ontstaan als die tusschen een prins en een vertrouwd kamerdienaar.
,,Wentinck, ik heb wat goeds aan de hand. Een fijne vereeniging van eerste klas menschen, allen van Heerengracht en Keizersgracht, heeft mij gevraagd om een voorstelling van een klassiek stuk in Felix Meritis te regisseeren. Maar ik durfde het niet aan. Je weet het hé, een korniekje zou ik al aardig kunnen maken, maar een groot klassiek stuk regisseeren en tusschen al die eerste klas inenschen een hoofdrol