Tusschen den blonden jongen man met de blauwe oogen en den roodharigen ontstond een gedachtewisseling over den stijl van Salustius. Men sprak over het Symposion, over den invloed van de oud-Grieksche litteratuur op Shelley en een schaterend gelach ging op, toen over de menschen gesproken werd, die het over Byron en Shelley hadden alsof dat gelijkwaardi-gen waren. Het was alsof er een groote geestigheid gezegd was of een wat gepeperde mop was getapt, zoo plotseling was dat schaterend lachen van allen geweest.
* * *
Bedrukt gtng Hans ’s avonds huiswaarts. Hij voelde zich dom, klein, bekrompen naast die jonge lieden. En in welk een geheel andere sfeer leefden zij. En dan, en dan .... zij reciteerden niet, zij zegden niet de verzen van andere dichters op, zij herhaalden niet gedachten van anderen. Maar zij schiepen zelf dichtwerken en zij gaven eigen denkbeelden..... En wat
waren zij rustig, wereldwijs, vol zelfbeheersching Toen hij thuis was, ging hij naar zijn studeerkamertje, legde een blad schrijfpapier voor zich en wilde gaan schrijven .... Maar' wat? Ja, hij wilde ook gedachten neer schrijven, gedachten over kunst en leven. Hij wilde mede strijden in de gelederen van het nieuwe geslacht, het geslacht dat de twintigste