io8
wat tegen ons zou kunnen ondernemen, moest het door uitnemend werk zijn. Maar hij kan zelfs in proza niet anders dan onpersoonlijk stellen en zoo zal hij meer door zijn eigen zwakte dan door onze aan-▼allen sterven.”
„Zij mogen niet voor ons bestaan”, meende een ander. „Wij moeten op twee wijzen te werk gaan, scheppend en critiseerend. Maar vooral scheppend en critiseerend alleen zoodanig, dat wij Nederland weer eens gaan wijzen op de ware groote schrijvers. Dan zullen de middelmatigheden van ,,De Gids” wel spoedig vergeten zijn. Zij hebben op dit oogen-blik twee menschen, die wat zijn en die wat beloven, Emants en Couperus. Maar die beiden staan eigenlijk dichter bij ons, dan zij zelf weten. Het doet er niet toe waarin zij schrijven. De hoofdzaak is dat zij psychologen zijn en woordkunst geven . . . .”
Het gesprek kwam op Vondel. ,,Ik heb hem lief om zijn geluid als van een zuiver kerkorgel en om zijn zuiver dichterlijk wezen. Hij is voor mij nog vaak meer man met een gothisch sentiment dan een renaissance-figuur. Rembrandt is zuiverder Hollander van de 17e eeuw. Rembrandt is voor ons aan het eind van de negentiende eeuw meer dan Vondel. Vondel is breed, maar met zwier; Rembrandt is breed in eenvoud
Het gesprek kwam wat later op Sophocles eis Aeschylus. Wentinck had eerst met aplomb deel in ’t gesprek willen nemen, maar hij merkte spoedig, dat hij hier in een kring van talentvolle menschen zat, die veel studie hadden gemaakt van schrijvers, wier namen hij zelfs nooit te voren had gehoord.