I IO
eeuw voorbereidde. En groote verzen wilde hij scheppen, treurspelen en blijspelen in verzen maken en romans, romans zooals Zola en Flaubert en de Balzac.
Maar hij kreeg geen inval. Hij zat te peinzen, doorwoelde zijn innerlijk. Doch hem kwamen slechts brokstukken in ’t hoofd van al de vele rollen, die hij nu al gelezen of geleerd had.
Hij wilde zijn geheugen dempen, smoren .... het verdringen en achter dat geheugen naar iets van zichzelf zoeken. Maar het lukte hem niet, De zinnen uit Shakespeare, Vondel, Multatuli’s Vorstenschool en De Bruid daarboven kwamen in hem op. Dan weer regels in ’t Fransch uit Corneille, Racine, Molière. Plotseling regels in ’t Duitsch uit de Faust van Goethe ....
Moedeloos zat hij, voelend zijn machteloosheid. En hij dacht opeen met schrik aan ’t woord van moeder ... Harlekijn, harlekijn .... Dat was hij... . een lappendeken .... aaneengenaaide stukjes van andermans pakken .... een pias in bonte vodden van anderen gestoken .... een harlekijn, met een draadje op de* rug, waaraan men trok en dan wip, gingen de armen en de beenen hoog-laag, hoog laag ....
Angstig stond hij op, stak een kaars aan, draaide het licht uit, ging naar zijn slaapkamer.
Zijn hart bonsde. Hij kleedde zich haastig uit, sprong gauw in bed, verborg zich onder de dekens alsof hij bang was om gezien te worden.
De kaars liet hij branden, om niet geheel in donker te zijn. Naar het lichtpeertje turend, bleef hij bevend en beangst liggen.
Toen begon hij te weenen ... ,,o God, een har-