io7
Wcntinck was, toen de jonge criticus met de actrice ’s avonds wegging, door den criticus uitge-noodigd eens ’s avonds in „Bavaria” te komen, een bierhuis in oud-Duitschen stijl, dat pas in de Kalver-süraat bij den Heiligen Weg was geopend. Daar kwam Jong Holland bijeen; daar werd beraadslaagd over de groote omwenteling die in de Nederlandsche kunst zou plaats vinden.
Hij vond er ’s avonds een tiental jongemannen, allen eenige jaren ouder dan hij, die uiterst kalm achter de eikenhouten tafeltjes zaten en een glas bier dronken en een sigaar rookten. Ze spraken weinig en hadden Wentinck, nadat hij door zijn kennis, den criticus, was voorgesteld, warm de hand gedrukt; maar niemand richtte in ’t bijzonder het woord tot hem. Te half twaalf kwam een lange jonge man, die zijn donkerblond haar lang droeg en groote, droomerige maar toch doordringende blauwe oogen had met een vriend, een rijzige, elegante verschijning, minder zorgeloos gekleed. De vriend had zeer vol, rood haar.
ZooJra deze twee jonge mannen gekomen waren, werd het gesprek levendig. Men had het over van Hall, den redacteur-secretaris van ,,De Gids”, die onder pseudo sonnetten in dat tijdschrift had gepubliceerd, waarin hij de gedichten van de jongeren trachtte belachelijk te maken.
„Wij kunnen gelukkig zijn, dat hij al zoo ver is,” zei de jonge man met de groote, blauwe oogen. „Want wanneer hij niets anders tegenover ons te stellen heeft, dan parodieëring van onze verzen, dan is ’t al ver met hem gekomen. Hij vecht al met wapens aan ons arsenaal ontleend. Indien hij werkelijk