IOO
loovig, maar nu zou ik toch werkelijk aan het spiritisme en aan spoken gaan gelooven. Waar ik ga en sta heb ik een gevoel of je vader naast mij staat en mij wat wil zeggen.”
,,En wat wil hij zeggen, moeder?”
Hans lachte luid om haar en zichzelf van het dwaze van den waan* te overtuigen.”
,,Ja, als ik dat nu maar wist. Ik geloof, dat het allemaal maar verbeelding is.”
„Moeder . . .”
„Ja jongen ...”
„Als vader nog leefde en ik zou hem gezegd hebben, dat ik aan het tooneel wou, wat zou hij geantwoord hebben ?”
„Hij? Voor zoover ik hem ken, met zijn familietrots en zijn sterk ontwikkeld eergevoel en zijn eerbied voor den naam Wentinck, waaraan hij alles ondergeschikt maakte, zou hij zich er met hand en tand tegen verzet hebben.”
„Zoo . . . zou hij . . .”
Hans bleef zwijgen, zat peinzend voor zich uit te staren.
„Misschien is vaders geest in huis om mij aan te sporen, je nog van je plan af te houden . . .”
Zij rilden beiden, moeder en zoon. Maar Hans stond opeens op.
„Vader zou zich verzet hebben . . . Welnu moeder, dan ben ik blij, dat hij dat nu niet meer kan . . .” „Jonge . . . lief. . . de nagedachtenis van je . . .” „De vaders moeten zich niet verzetten tegen hetgeen de zoons als roeping voelen. Dat verzet is geen wijsheid, maar ijdelheid; dat is de instinctieve vijand-