IOI
schap van het verdwijnende leven tegen het opkomende ... en moeder, ik begrijp niet, waarom u, die mij altoos zoo goed begrepen heeft, er tegen blijft ageeren, dat ik tooneelspeler word.”
,,Mijn hart is altijd met je jongen. Maar iets dat dieper in mij leeft dan mijn hart, zegt mij, dat het je niet gelukkig zal kunnen maken, tooneelspeler te zijn. Ik weet daarvoor geen verklaring te geven.” ,,En ik zeg u moeder, dat ik alleen in de oogen-blikken gelukkig zal zijn, dat ik op het tooneel sta. Ik heb dat het eerst te Willemsoord ontdekt, toen ik in een gelegenheidsstukje optrad. En nu schijnt alles om mij heen er mij toe te willen leiden, dat ik aan het tooneel ga. Wij zijn uit een goed Protestantscn huis moeder, al hebben wij in de twee laatste geslachten weinig meer aan de geloofsvormen gedaan. Welnu mij is het of ik door een macht, die overeenkomt met een goddelijke, naar het tooneel gedreven wordt; en of er een andere, duivelsche macht is, welke er zich tegen verzet.”
,,Als het maar niet net andersom is.”
„Goed moeder, dat kan ook. Welnu, dan wil ik die duivelsche macht dienen en trouw dienen. Als dan aan het duivelsche zooveel macht is gegeven, dan heeft dat duivelsche zeker ook rechten op ons.” „Dus je voelt het dan wèl als roeping.”
„Als onweerstaanbare roeping . . . alsof geheime, onzichtbare maar niet onvoelbare machten mij er toe drijven en ik voel mij als god of als duivel, als een versmelting van die twee, in mijn strijd tegen alles wat zich tegen mijn roeping verzet. Het kan wel zijn, dat in deze dagen de geest van vader in ons huis