Na de dood van mijn grootmoeder Sara Lebram eind april 1916, gingen we iedere vrijdagavond naar de synagoge in de Fasanenstrasse. Daar sprak mijn vader het kaddisjgebed. Dit traditionele joodse gebed voor de overledene wordt elf maanden lang en een laatste keer op de sterfdag door het naaste mannelijke familielid uitgesproken.
Hoewel onze gemeente liberaal was, zaten mannen en vrouwen gescheiden. De mannen gingen beneden in de banken zitten en de vrouwen zaten boven op een soort balkon. Daar zag ik op een avond een jong meisje zitten, dat ik dadelijk leuk vond. Ik lachte tegen haar en zij beantwoordde mijn groet. In de hoop haar te zien, ging ik nu heel graag naar de synagoge. Heel snel vond ik haar aanwezigheid op het balkon en dat voor mij bestemde lachje zo vertrouwd, dat ik me een dienst zonder haar niet meer kon voorstellen.
Ze was Russisch en heette Clarissa Simonowitz. Haar blonde haar was kort geknipt, een haarmode die net opkwam. Ze vond haar uiterlijk belangrijk. Haar blauwe ‘schoudermantel’, die ze meestal droeg, liet een verpletterende indruk bij mij achter. Ik ontwikkelde in mijn latere leven een regelrecht zwak voor dergelijke mantels.
Clarissa werd mijn eerste grote liefde. Ik was zo trots om een vriendin te hebben, dat ik haar vroeg om me zo vaak mogelijk van school te komen halen. Mijn trots werd nog groter toen ik hoorde dat ze in 1915 samen met Curt Bois in het Palasttheater am Zoo op toneel had gestaan. Het stuk droeg de titel naar een echte Berlijnse uitspraak, die de Duitse kroonprins zich niet lang voor de oorlog had laten ontvallen, “Immer feste druff’ (Geef ze ervan langs...)
De oorlog maakte een eind aan onze jeugdliefde. Nog in datzelfde jaar 1916 werd ze als Russin samen met haar moeder het land uitgezet. Via Zweden gingen ze terug naar Rusland. Jaren vol gebeurtenissen zouden verstrijken, voordat ik Clarissa zou terugzien.
Mijn vader, die als vertegenwoordiger in textiel zakelijke contacten on