De kinderen Vera en Herbert Lebram rond 1909. Toen woonde de familie Lebram in stadsdeel Charlottenburg.
tische Realgymnasium. Elke ochtend bracht mijn moeder me van de Frie-drichshain naar de Elisabethstrasse en haalde me ’s middags weer op. De eerste dag bracht ze me zelfs tot in de klas, net zoals de andere moeders dat deden met hun zoons. Ik had een brok in mijn keel, toen ze wegging. Maar ik raakte snel bevriend met Max Strassberger. Hij groeide op bij een tante, omdat zijn ouders in Wenen woonden. Zijn haar was pikzwart en hij had heel veel sproeten. Hij maakte grote indruk op me en ik deed alles om er net zo uit te zien als hij. Ik ontdekte, dat mijn donkerbruine haar zwart glom als het nat was. Dus maakte ik mijn haar elke ochtend kletsnat. Maar voor de zomersproeten kon ik niets bedenken.
Max was een van de weinige joodse jongens in mijn klas. Godsdienstonderwijs kregen we apart van de christelijke kinderen, samen met joodse jongens uit hogere klassen.