woonde meneer Zempke, een grote dikke man met een lange witte baard. Ik kende hem van gezicht. Op een dag hoorden we boven ons een doffe klap. Meneer Zempke was op slag dood. Dat een mens kon ‘dood gaan’ wist ik nog niet. Ik moest vaak aan die arme meneer Zempke denken. Maar ik troostte mezelf met de gedachte, dat als een mens niet wilde sterven, hij ook niet stierf.
Mij hield nog een ander raadsel bezig.
We sliepen samen met onze ouders in een ruime kamer. Op een nacht droomde ik van een gevecht tussen mijn vader en Lokuschewsky, onze kruidenier. Het was een gruwelijke strijd. Mijn vader bloedde over zijn hele lichaam. Toen ik plotseling wakker werd, zag ik dat mijn vader naakt bij de wastafel stond, bezig zich te wassen. Mijn vreselijke droom werd hierdoor bevestigd. Wat zich in die nacht werkelijk had afgespeeld, begreep ik pas als volwassene.
Het was niet alleen vreemd in de wereld van de volwassenen. Er kwamen vaak twee meisjes bij ons spelen, Lotte Katz, de dochter van de buren die op onze verdieping woonden en Grete Kaufmann van een verdieping lager. Ze waren ongeveer twee jaar ouder dan mijn zusje en met haar speelden ze ‘moeder en kind’. Mijn zusje was het kind. Lotte en Grete trokken haar broek uit, deden haar een luier om, streelden haar of gaven haar een pak slaag.
Ik zat een beetje achteraf, omdat de meisjes voor mij geen rol hadden. Toen ik daarover klaagde, trokken ze voor straf ook mijn broek uit en dwongen me om halfnaakt in de hoek te gaan staan. Toen kwam ons dienstmeisje de kamer in. Mijn moeder was boodschappen doen en op bezoek bij onze grootmoeder in de Mendelssohnstrasse. Nadat ze weer thuis was, meldde het dienstmeisje wat ze gezien had. Sindsdien mochten we niet meer omgaan met Lotte en Grete.
In m’n eentje speelde ik graag met een burcht en tinnen soldaatjes. Ik voerde de grootste gevechten. Ook had ik een klein dorp, dat bestond uit twee houten boerderijen, een stal, een herder met schapen en een boerin met een juk, waaraan twee emmers hingen. Naast de krijgszuchtige soldaten en de machtige burcht, was het dorp met zijn bewoners buitengewoon vredig om te zien. Ik zette het neer op veilige afstand van de burcht om het te beschermen tegen de wilde oorlogshandelingen en te genieten van de aanblik.
In oktober 1907 ging ik voor het eerst naar school, naar het Königstad-