tiviteit zouden onthouden en als ze konden aantonen dat ze geen financieel beroep op de staat hoefden te doen. Hoe hopelozer de situatie van de joden in Duitsland werd, hoe onverbiddelijker de Nederlandse regering zich tegenover asielzoekers opstelde. Vlak na de Anschluss van Oostenrijk werd in mei 1938 een verordening van kracht op grond waarvan voortaan elke vluchteling in Nederland als ‘ongewenscht element’ moest worden behandeld. Alleen wie kon aantonen dat hij in doodsgevaar verkeerde mocht blijven. De Duitse concentratiekampen vormden in de ogen van de katholieke minister van justitie Goseling, die later zelf in Buchenwald zou omkomen, geen levensbedreiging.
Pas dankzij massale openlijke protesten na de ‘Rijkskristalnacht’ kwam de Nederlandse regering ertoe dit beleid op te geven. Bijna 8.000 Duitse en Oostenrijkse joden kregen nu toestemming het land binnen te komen, terwijl er 40- a 50.000 om toelating hadden verzocht. Als ‘tegenprestatie’ eiste Goseling dat er een speciaal vluchtelingenkamp zou worden gebouwd, dat in de loop van 1939 inderdaad tot stand kwam: Westerbork. Het is de verdrietige en achteraf bezien bittere ironie van de geschiedenis dat de joodse organisaties zelf voor de kosten van dit kamp moesten opdraaien. Hier werden een paar jaar later de deportatietreinen naar Auschwitz en Sobibor voor vertrek gereed gemaakt.
Tegen Duitsland en de Duitsers bestond in de Nederlandse samenleving nogal wat diepgewortelde aversie. Vooral in het westen van het land waren de mensen veel meer op de Engelse taal en cultuur gericht. De schending van de Belgische neutraliteit in 1914 en in het algemeen de manier waarop het Pruisische militarisme zich in de daaropvolgende vier jaar manifesteerde, hadden die aversie nog versterkt. Een flink deel van de Nederlandse bevolking liet door haar reactie op de nationaalsocialistische terreur in het buurland echter blijken dat de traditionele solidariteit met vluchtelingen nog steeds onder de mensen leefde.
De Nederlandse binnenlandse politiek werd in de jaren dertig gekenmerkt door de zogenaamde verzuiling, dat wil zeggen dat er drie ongeveer even sterke ‘zuilen’ bestonden: de katholieken, de protestanten en de socialisten. Alle drie hadden hun eigen scholen, verenigingen en kranten. Wie tot de ene ideologische zuil behoorde had doorgaans geen contact met de andere. Ten aanzien van de vluchtelingenkwestie ontstonden er in de loop van de dertiger jaren twee kampen. Aan de ene kant stonden de conser-