gen of amusementsprogramma’s.
De Nederlandse bevolking, nogal uiteenlopend reagerend van hulpvaardigheid tot vreemdelingenhaat, trad de stroom emigranten met gemengde gevoelens tegemoet. In juli 1938 schreef een groot liberaal weekblad bijvoorbeeld: “De natuurlijke genegenheid, die wij de Joodsche emigranten toedragen, de hulpvaardigheid, waartoe wij ten volle bereid zijn, wordt hier te lande vertroebeld door die emigranten, welke ons antipathiek zijn, niet omdat zij Duitsche Joden, maar omdat zij Duüsche Joden zijn. Hun voorkeur voor de Duitsche taal, de Duitsche zeden, hun ophemeling van Duitschland boven Nederland is weerzinwekkend, niet alleen voor ons nationaal, maar ook voor ons filo-semitisch gevoel.”
Ongeveer in dezelfde tijd - dat was in de woelige maanden tussen de Anschluss van Oostenrijk en het ‘Accoord van München’, toen Hitler de westerse mogendheden met voortdurend nieuwe eisen probeerde te chanteren - deed onder Nederlandse joden een grap de ronde die de irritaties treffend weergeeft. De Duitse joden in Amsterdam hebben de burgemeester het volgende ultimatum gesteld: onmiddellijke overdracht van Amsterdam-Zuid, een geheime volksstemming in alle andere stadswijken en een corridor naar het strand van Zandvoort! Met andere woorden, of het nou een Duitse ‘ariër’ of een Duitse jood was: een mof blijft een mof. Zo dachten er velen.
Reacties op de vluchtelingenstroom
In de jaren dertig woonden hier zo’n 110.000 Nederlandse joden, wat neerkwam op 1,4 procent van de hele bevolking. Daarnaast waren er volgens de statistieken nog circa 30.000 Nederlanders die zich zelf ‘joods’ vonden, maar dan in een ruimere betekenis van het woord, of als zodanig werden beschouwd zonder evenwel bij een joodse gemeente te zijn aangesloten. In Amsterdam en Den Haag bestonden twee kleine gemeentes van Sefardische joden, wier voorouders in de zestiende eeuw vanuit Spanje en Portugal hierheen waren gekomen en zich hadden afgezonderd in een autonome geloofsgemeenschap. Net als de Duitse vluchtelingen woonden de meeste Nederlandse joden in de grote steden - 80.000, dus bijna zestig procent, alleen al in Amsterdam, waar aan de rand van de oude binnenstad een echte jodenbuurt lag. De joden hadden in Nederland sinds 1796 alle burgerrechten en waren verregaand geassimileerd, alleen was de afstand tussen arm en rijk hier stukken groter dan in bijvoorbeeld Duitsland. Aan de ene kant speelden de Nederlandse joden een belangrijke rol in het economische en culturele leven, aan de andere kant vormden ze met name in Amsterdam een deel van het proletariaat. Heel wat van hen werkten in de