Amerika en de gezamenlijke West-Europese buurlanden namen elk zo’n
20.000 vluchtelingen op. Een niet gering gedeelte van laatstgenoemde groep emigranten belandde in Nederland.
Welkom in Nederland?
Alhoewel de cijfers uiteenlopen en elkaar sterk tegenspreken, zijn naar het schijnt tussen 1933 en 1940 ongeveer 50.000 Duitsers en Oostenrijkers als emigranten de Nederlandse grens overgekomen. Een poging om hier een onderscheid te maken tussen ‘politieke’ en ‘joodse’ vluchtelingen is alleen al daarom vrij zinloos omdat er bij de politieke emigranten uit linkse hoek veel joden zaten. Zoals Karl Kautsky1 Erich Kuttner2 en Otto Landsberg2 om maar een paar namen te noemen die in de geschiedenis van de republiek van Weimar een vaste plaats hebben gekregen.
Omstreeks de jaarwisseling van 1933/34 werden er in Nederland 4.200 joodse vluchtelingen uit Duitsland geteld. Velen van hen beschouwden Nederland slechts als een tussenstop en trokken verder zodra ze de kans kregen. Maar de stroom uit Duitsland hield niet op. Alleen al na de novem-berpogrom van 1938 kwamen er zo’n 10.000 nieuwe emigranten bij. Met de escalerende oorlogsdreiging voor ogen deed een groot deel van hen zijn best om een inreisvergunning te krijgen voor landen die op grond van hun geografische ligging een grotere veiligheid boden. In totaal schijnen zo’n
24.000 Duitse joden enige tijd in Nederland doorgebracht te hebben. Nauwkeuriger onderzoekscijfers zijn pas beschikbaar over de tijd van de Duitse bezetting. In 1941, toen het eigenlijk allemaal al te laat was, bevonden zich exact 15.174 Duits-joodse vluchtelingen op Nederlands grondgebied.
De eersten die het land binnenkwamen waren de politieke asielzoekers: vakbondsmensen, linkse partijfunctionarissen, ambtenaren met afwijkende politieke opvattingen, kunstenaars en natuurlijk jonge mensen die zich in Duitsland kansloos voelden en meestal niet aan een gezin vastzaten. Later kwamen vooral oudere mensen die in Duitsland een beschermd en geregeld bestaan achterlieten. Onder degenen die om welke reden dan ook uiteindelijk in Nederland bleven, waren de mensen van rond de veertig, doorgaans getrouwd en met kinderen, in de meerderheid. Als het de jonge emigranten lukte hier min of meer een eigen bestaan op te bouwen, lieten ze aan het eind van de jaren dertig vaak hun ouders en andere familieleden overkomen. Waarom naar Nederland? Een sociaaldemocratische emigrant uit Keulen, Willi Kweksilber, die zich in ballingschap Heinz Wielek noemde, heeft daar later het volgende over gezegd: ‘Veel mensen vluchtten