nationaalsocialisten in staat waren. “Eind maart verlaat ik samen met mijn gezin Duitsland”, vertrouwde hij me toe. Op de dag van vertrek vergezelde ik hem, zijn vrouw en zijn beide zoons, Heinz en Freddy, naar het station. Hun eerste doel was Praag. Het werd een emotioneel afscheid.
Korte tijd later, op 1 april 1933, riepen de nationaalsocialisten op tot een boycot van alle joodse bedrijven. Natuurlijk was hen het confectiecentrum rondom de Hausvogteiplatz met zijn vele joodse firma’s een doorn in het oog. We bereidden ons voor op een verschrikkelijke dag en stonden uiterst gespannen in de zaak. Ineens liep een vrouwelijke klant, waarvan wij zeker wisten, dat ze “arisch” was, onze verkoopruimte binnen.
“Ondanks alles komt u naar ons toe?”, verbaasde ik me.
“Waarom moet ik de joden boycotten, terwijl Jezus immers zelf een jood was?”
Haar antwoord verblufte mij. Hoewel het zo eenvoudig leek, wisten we ons geen raad hoe we ons tegen de beschuldigingen en vervolgingen moesten verweren. De meeste joden die ik kende, staken hun kop in het zand. Of ze bleven, zoals mijn vader, halsstarrig hun houding handhaven, die in het licht van de bedreigingen gevaarlijk was. We spraken in Marienbad, waar wij in 1933 onze vakantie doorbrachten, dikwijls over dit onderwerp.
Voor mijn vader was antisemitisme grote onzin. “Het klopt niet, als de christenen beweren, dat we een ras zijn”, zei hij vroeger al. En als iemand een opmerking maakte in de trant van: “Ik kan geen joden zien!”, antwoordde mijn vader altijd: “Dan moet u de gevangenis ingaan, daar zult u ze vast en zeker niet aantreffen.”
Daarmee was de ‘zaak’ afgedaan. Maar dat was niet zo. Clarissa, die in 1933 voor de laatste keer naar Duitsland kwam, zei het het heel duidelijk: “Jullie Duitse joden zijn en blijven joden en zullen nooit als Duitsers worden geaccepteerd. Hoe hard jullie ook je best doen!”
Voor ons vertrek naar Marienbad hadden de nazi’s Dr. Joachim gearresteerd. Zijn politieke werkzaamheden voor een socialistische vereniging werden hem noodlottig. Bovendien was hij jood. Tijdens onze vakantie namen wij uit de buitenlandse kranten kennis van zijn overlijden. Hij was in de gevangenis gemarteld tot de dood erop volgde. We waren diep geschokt.
Terug in Berlijn vroeg de broer van Fritz Kempe het faillissement van de firma Cohen & Kempe aan. Omdat mijn contract nog een looptijd van een jaar had, betaalde Georg Kempe me een schadeloosstelling van tienduizend mark.
Kort voor mijn vertrek bij het bedrijf gebeurde er nog iets totaal absurds,