Een paar dagen later kregen we bezoek waarnaar we lang hadden uitgekeken: Ans Roos had haar gevangenschap van een jaar in Kleef erop zitten. Ze kwam onmiddellijk naar ons toe om te informeren hoe het met ons ging. Toen ze de kamer in kwam, keek ze ons vol ontzetting aan. We moeten er wel heel ellendig uit hebben gezien. Ze vroeg hoe het zat met onze voedselvoorziening. We gaven waarheidsgetrouw antwoord. Onmiddellijk ging ze naar Ma en Pa van Hartingsveldt en maakte hen verwijten. De reactie was vreselijk. Ma van Hartingsveldt klaagde, dat het teveel was om drie onderduikers in huis te hebben. Ze wilde alleen Margot houden en eiste van Ans, dat ze voor Ursel en mij een ander adres zou zoeken.
Ans deed ons verslag van het gesprek, “In het uiterste geval breng ik jullie naar mijn broer, Wim, probeerde ze ons te kalmeren. “ Hij woont ook hier in Alkmaar. Wim heeft al een paar onderduikers, maar hij zal jullie zeker opnemen.”
Maar voor ons was het bericht een schok. Ursel en ik wilden ons maatje Margot absoluut niet kwijtraken. Daarbij kwam dat we bang waren voor het gevaar, waaraan ik blootgesteld zou zijn, als ik me op straat zou vertonen.
In onze nood probeerden we te horen wat Ma en Pa van Hartingsveldt die avond met elkaar bespraken. Hun slaapkamer lag naast de kamer van Margot. Pa van Hartingsveldt probeerde zijn vrouw op andere gedachten te brengen. Zij deed het goede werk, waaraan hij begonnen was, teniet. Het was haar heilige plicht om ons te redden.
De volgende ochtend deelden ze ons mee, dat we konden blijven. Alle drie.
Op weg naar de wc ving Margot door de gesloten deur een gesprek op tussen Ma van Hartingsveldt en de buurvrouw, mevrouw Van Gooi. We dachten, dat de familie Van Gooi al lang vermoedde, dat de Van Hartingsveldt’s onderduikers in huis hadden.
Die dag vertelde mevrouw Van Gooi, dat in onze straat huiszoekingen naar fietsen zouden plaatsvinden. Was dat wel zo? We namen het zekere voor het onzekere en kropen onmiddellijk in ons hok op de zolder.
Vlak daarop ging de bel. Zware laarzen denderden de trap op. Alle kamers werden doorzocht. Tenslotte kwamen ze aan op zolder. We hielden onze adem in. Margot en Ursel bibberden van angst. Ik werd misselijk van spanning. De mannen keken overal, maar onze schuilplaats ontdekten ze niet.
Na angstige minuten hoorden we, hoe ze de zolder verlieten. Het waren leden van de “Landwacht”, het nationaalsocialistische deel van de Nederlandse politie.