Arie Touw - de man van dochter Anni van Hartingsveldt - werd door de Sicherheitspolizei gearresteerd. Hij had gestolen levensmiddelenkaarten naar onderduikers willen smokkelen. Daarop stond de doodstraf.
Nachten achtereen kon ik niet slapen. De gedachte, dat een lid van de familie, die ons wilde redden, onze vijand in handen was gevallen, kwelde me. Ben gesprek met Anni bracht me op het idee, hoe we haar man misschien zouden kunnen redden.
Arie stond als bloeddonor voor tbc-patiënten geregistreerd bij een instituut aan de Amsterdamse Achtergracht. Tot aan het begin van de oorlog had hij daar regelmatig bloed afgestaan.
Ik stelde Anni voor om zich met een verzoek tot de directie van dit instituut te wenden, namelijk om Arie in plaats van als donor als patiënt te registreren en haar dat officieel te bevestigen. Ik kende de angst van de Duitsers voor besmettelijke ziektes. Arie zat gevangen in Utrecht en wachtte op zijn veroordeling. Af en toe bezocht Anni hem. Ik stelde uit haar naam een Duitse brief op, die bestemd was voor de gevangenisdirecteur. Daarin stond, dat Arie een paar keer bloed had gespuugd tijdens zijn hechtenis, wat niet alleen voor hem, maar ook voor de mensen in zijn buurt gevaarlijk was.
Al snel bleek dat we succes hadden met ons schrijven.
Als “therapie” kreeg Arie nu dagelijks melk. En vanwege het “besmettingsgevaar” kwam de directeur niet bij hem in de buurt als hij opdrachten gaf.
Maar toch bleef de uitkomst van het proces onzeker.
Ik leefde nog sterker dan voorheen van de ene nieuwsuitzending tot de andere, zat dagelijks bij de radio. De engelachtige stem van Jetty Pearl, een zangeres bij Radio Oranje, vervulde me alleen al door de klank met vertrouwen.
Uit een bericht van begin juni putte ik nieuwe hoop: de landing door de geallieerden in Normandië was gelukt.