wen. Men bracht ons daarom in groepen van 20 tot 40 naar de douches, wat ongeveer iedere acht dagen gebeurde. Anders was er in het geheel geen mogelijkheid, zich te wassen. De enige twee waterkranen, die er in huis waren, waren voor het personeel, dus streng verboden voor ons.
DE WERKDAG.
3.30 Wekken; men moest zijn bed zelf opmaken.
4.15 Appèl in de slaapzaal.
4.20 Naar de hof gaan, om het ontbijt zelf te halen. Ieder wachtte in de hof, tot zij aan de beurt was. Het ontbijt bestond uit een water-aardappelsoep of water-groente-soep, dik gemaakt met ruw geraspte aardappelen. Men kreeg bijv. % L., en tegelijk kreeg men ook zijn dag-rantsoen, bestaande uit: 250 gr. brood, 5—10 gr. margarine of een schijf worst, of een lepel jam.
5.05 Appèl in de hof, voor diegenen, die naar de fabriek gaan.
5.20 Naar de fabriek.
6.00 Aankomst in de fabriek en begin van het werk.
9.00 Tot 9.15 pauze, waarin men een deel van zijn brood opeet.
9.15 Werken tot 11.30.
11.30 Tot 12 uur middagpauze. Men kreeg warm drinken: of een halve kop koffie-surrogaat of pepermuntthee, die men opdronk, terwijl men de rest van zijn brood opat. 12.00 Tot 18.00 werken in het atelier,
18.10 Appèl op de fabrieksplaats en terug naar het kamp. 19.00 Aankomst in het kamp, appèl op de plaats en wachten op soep. De avondsoep, bijv. een liter vrij dikke aardappelsoep of aardappelen in de schil met een beetje rode kool, een maal per week aardappelen met vlees-of uiensaus, ’s Zondags eveneens aardappelen met vleessaus. (Kleine bijzonderheid: de laatste veertien dagen was de gehele kost zonder een kruimeltje zout klaargemaakt).
21.00 Taptoe.
98