Theoretisch moesten alle vrouwen deelnemen aan het werk in de fabriek Kratzau, een door de SS gerequireerde munitiefabriek Spoedig bleek het echter, dat er niet genoeg werk was voor allemaal. Hoofdzakelijk uit gebrek aan materiaal, speciaal olie. Daarom werden uitsluitend wij vrouwen, 300, die in de fabriek zelf werkten, waarvan er 200 dagwerk, de andere 100 nachtwerk deden (dit was veel vermoeiender), beloond met een kleine verhoging van het soeprantsoen. De rest van de vrouwen had buitendienst „Hofkolonne”, n.1. kolen scheppen, stratenwerk, kisten open maken, enz. Het werk, dat zeer vermoeiend was, begon om 8 uur op de plaats van de fabriek en duurde tot 4.30 uur, door het daglicht. De vrouwen waren gedwongen bij iedere weersgesteldheid, onvoldoende gekleed, er op uit te gaan. Dagelijks vielen twee of drie vrouwen gedurende het werk flauw. Meermalen hebben de Duitsche op-zichteressen zich beklaagd en gesmeekt niet te behoeven uit te gaan, daar ze zelf onder het slechte weer leden. Aan hun verzoek werd geen gevolg gegeven. De andere vrouwen waren over de verschillende werkplaatsen verdeeld. Een deel werkte aan half-automatische machines (oorlogsconstructies), andere waren bij de controle van de stukken of werkzaam bij de verpakking (vermoeiende arbeid, daar men zware kisten moest tillen). De hygiënische voorwaarden in de fabriek waren iets beter dan in het kamp, het was tenminste mogelijk op de W.C. te gaan of zich te wassen, wat in het kamp zo goed als onmogelijk was. In het algemeen was het werk niet zo zwaar, maar uitputtend. Men was ondervoed, en leed aan gebrek aan slaap. Daarbij was er een groep meisjes, die met loodverf werkten, waarvan de vergiftige samenstelling bekend is. Alle Duitse en buitenlandse arbeiders, die in dit atelier werkten, kregen anderhalve liter melk dagelijks, de Jodinnetjes kregen slechts een kwart liter iedere tweede dag. Twee jonge meisjes begonnen na twee weken gewerkt te hebben in dit atelier, bloed op te geven. Het werk hier was niet onaangenaam, men werd betrekkelijk weinig bewaakt.
De behandeling van de zijde der Duitse en buitenlandse arbeiders was op enige uitzonderingen na fatsoenlijk. Bij deze uitzonderingen ging het om overtuigde Nazi’s, die eens wilden laten zien, wat ze waren. Er bestond een formeel verbod, met
99