kamp, nam de goederen in beslag en executeerde terstond 17 medeplichtige Joden, wegens verboden sluikhandel.
Om de karige kost te verbeteren en de honger te stillen, verslonden de mensen rauwe aardappelen, gort en peulvruchten, daar het streng verboden was, in het kamp te koken. Ze zochten op weg naar het werk dool, wortelen en andere ongenietbare dingen, terwijl ze zelfs naar de mestvaalt gingen en daar de halfverrotte groenteresten en aardappelschillen uitzochten. Dit alles had weer zware buikloopver-schijnselen tengevolge.
DE BEWAKING VAN HET KAMP.
Ongewapende manschappen van de Posener bewakings-groep, meest voormalige Poolse soldaten, leidden de bewaking van het Jodenkamp. Hun verhouding tot de Joden was bijna altijd vijandig. De bewaking had ook tot taak, de Joodse arbeiders naar hun werk te begeleiden en gedurende het werk op ze te letten, voor zover de Poolse firma’s dat niet zelf deden. Beiden,, zowel de Poolse firma's als ook de Poolse bewakers, mishandelden de Joden en probeerden het uiterste uit hen te halen. Een bewaker beroemde er zich in het bijzonder op, dat hij verscheidene Joden had gedood.
HET KAMP ANTONIENHOF.Na de opheffing van de quarantaine in fort Radziwill, werd ik overgeplaatst naar Antonienhof: dit bestond uit een vroeger Pools landhuis, in het Oosten der stad gelegen. Nog voor een paar weken was het door de Poolse familie St. bewoond, die plotseling het bevel kreeg het huis te ontruimen, terwijl ze verlof kreeg het meubilair mede te nemen. Dus waren de vertrekken leeg, toen de 500 meisjes er aankwamen. Het woonvertrek en de sanitaire toestanden waren op een grote familie berekend, maar niet op honderden mensen. Als het niet het hoge, dichte prikkeldraad geweest was, dat het huis eng omsloot, en het bord aan de ingang van het park: ,.Eigendom van de stad Posen, toegang streng verboden”, dan had men er geen erg in gehad, dat dit Poolse herenhuis, dat omringd was door een oud park, een Jodenkamp was.
82